REGELS BEANTWOORDING VAN VRAGEN



1. Natuurlijk hou je je aan de regels van de werkverzorging. Zie aldaar.

2. Beantwoord meerkeuzevragen zo kort mogelijk: alleen de letter of het cijfer.

3. Beantwoord open vragen in volledige, correcte zinnen.
Dus: niet in losse bijzinnen. (FOUT: Omdat Karel ziek was. Dit moet zijn: Karel kwam niet, omdat hij ziek was.)

4. Beantwoord vragen waarop slechts één of twee woorden als antwoord worden verwacht zo kort mogelijk. Voorbeeld: Wanneer begon de Tweede Wereldoorlog? Antwoord: 1939

5. Citeren betekent: Niet met eigen woorden weergeven, maar 100 % letterlijk uit de tekst overnemen. Letterlijk wil zeggen: zonder enige verandering, zonder iets weg te laten, zonder de volgorde te veranderen.

6. Citeer alleen uit de tekst als dat gevraagd wordt. Als er niet om een citaat wordt gevraagd, geef je in eigen woorden antwoord. Omgekeerd geldt hetzelfde.

7. Citeer correct, volledig en met vermelding van regelnummers. Voorbeeld:
"Karel was ziek." (r. 2-3) FOUT: "Karel was ziek. (R.2+3) Vergeet de haakjes rond de regelnummers niet. Vergeet de aanhalingstekens niet. Gebruik de afkorting r. in kleine letters, daarna spatie. Gebruik een liggend streepje in plaats van + of t/m.

8. Als een citaat langer is dan vier woorden, citeer dan de eerste twee woorden, dan een rij puntjes, daarna de laatste twee woorden van de geciteerde zin. Voorbeeld:
"Karel kwam .........ziek was." (r.2-4) FOUT: Karel kwam niet .....was." R2 t/m 4

9. Als je op een vraag meer dan één antwoord geeft, beoordeelt de docent alleen het eerste.

10. Als iets onleesbaar is, of twijfelachtig verbeterd, wordt het antwoord fout gerekend.
Kromme zinnen zijn fout indien onbegrijpelijk.